3115766.jpg

In memoriam Pieter Jan Tichelaar

 

Op 25 augustus 2020 overleed op 92 jarige leeftijd dr. ir. Pieter Jan Tichelaar.

In de overlijdensadvertentie die door de familie werd opgesteld, werd hij gekenschetst als markant, eigenzinnig, Makkumer. Mensen die Pieter hebben gekend zullen dit onmiddellijk herkennen.

 

Tichelaar werd op 28 juni 1928 geboren in het fraaie familiehuis aan de Turfmarkt 5 in Makkum.

Hij trouwde met mevr. drs. M.A van den Hoek met wie hij drie kinderen kreeg, Janneke, Jan en Annemiek. Later trouwde hij met mevr. J.V. Metz.

Pieter was geboren voor een loopbaan in het Fries aardewerk. Zijn voorouders legden reeds vóór 1572 de basis voor de keramische industrie in Makkum en vanaf 1700 werd het Makkumer aardewerk gemaakt.

Hij volgde de Rijks HBS in Harlingen en studeerde aansluitend scheikundige technologie aan de Technische Hogeschool in Delft. In 1958 keerde de jonge ingenieur terug naar zijn geboorteplaats, waar hij in het bedrijf kwam waar zijn vader toen de scepter zwaaide. Van 1964 tot 1985 was Pieter directeur van Tichelaar Koninklijke Makkumer Aardewerk- en Tegelfabriek. Later zou ook zijn zoon Jan directeur van Koninklijke Tichelaar worden. Pieter wist zwaargewichten uit het Nederlandse bedrijfsleven te strikken voor de functie van commissaris van het bedrijf en de aandeelhouders hebben doorgaans een warme sympathie voor hetgeen er in Makkum gebeurde.

In 1984 trad hij terug uit de dagelijkse leiding, maar bleef tot eind 1992 voor halve dagen betrokken bij zijn dierbare fabriek. Naast zijn werkzaamheden voor het familiebedrijf was hij bestuurlijk actief in de keramische brancheorganisaties, de politiek en een groot aantal maatschappelijke en culturele organisaties. Ook vervulde hij enkele commissariaten.

In zijn door hem opgerichte adviespraktijk Yme Freerks bv verrichte hij interim-werkzaamheden, bedrijfsonderzoeken en trad hij op als mediator.

 

Tichelaar reisde in de jaren zestig met zijn toenmalige vrienden Jan Pluis en Minze van den Akker door Europa om onderzoek te doen en te verzamelen. Hij bracht een belangrijke verzameling Friese majolica en faience bijeen die tentoongesteld werd in Museum De Waag, schuin tegenover zijn geboortehuis. Toen in 1998 het museum niet langer levensvatbaar bleek, is de verzameling in eigendom overgedragen aan de Ottema-Kingma Stichting te Leeuwarden, een voor Friesland heel belangrijke culturele stichting. Deze stichting bracht de collectie onder in Keramiekmuseum het Princessehof aldaar.

Later volgde de modellencollectie van de fabriek met vele honderden stukken aardewerk uit eind 19de en begin 20ste eeuw, die hem van een beschrijving en foto werden voorzien.

 

Het belangrijke bedrijfsarchief van de aardewerk- en tegelfabriek, met onder meer duizenden sponsen (sjablonen), was al eerder door zijn vader aan het toenmalige Rijksarchief in Leeuwarden overgedragen, maar Pieter voorzag nog veel materiaal van beschrijvingen, zich terdege bewust van het feit dat hij de laatste was die het nog uit eigen ervaring wist.

Het geboortehuis van Tichelaar, dat vanaf 1700 in de familie was, was in de loop der tijd voorzien van een onbedoelde staalkaart van tegels uit de fabriek. Als liefhebber zorgde hij voor een verantwoorde restauratie en de gehavende tegeltableaus werden zorgvuldig in oude luister hersteld.

Nadat hij vele jaren in het huis had gewoond, droeg hij het over aan de Vereniging Hendrick de Keijser.

Ook elders in Makkum was hij betrokken bij restauraties van oude huizen.

 

De werkdrift en de passie van Tichelaar was enorm. Als anderen zijn tempo niet konden bijhouden, kon hij weleens ongeduldig of zelfs dwingend zijn, maar altijd met de goede zaak voor ogen. Hij was een levensgenieter en met zijn enorme flair wist hij velen te overtuigen van het nut van de projecten waaraan hij werkte. Hij leek iedereen te kennen.

Die eigenschappen kwamen goed van pas toen hij in 1998 het initiatief nam een serie boeken te laten verschijnen over de producten waaraan zijn familie zo’n belangrijke bijdrage had geleverd.

Hij richtte de Stichting Fries Aardewerk op met het doel een vehikel te hebben om fondsen te kunnen werven voor de boeken over aardewerk uit Harlingen, Bolsward en Makkum.

Zelf trad hij als administrateur op en door zijn uitstekende contacten verzorgde hij een belangrijk deel van de niet onaanzienlijke fondswerving.

 Mede dankzij Jan Pluis, Sytse ten Hoeve en Arend Jan Gierveld ontstond een serie van zes standaardwerken over Fries aardewerk, gevolgd door een deel geschreven door Paul Smeele en Adri van der Meulen over de pottenbakkers van Friesland.

Ook het archeologisch materiaal dat betrekking had op Fries aardewerk had zijn belangstelling en hij organiseerde een dag voor deskundigen die vele duizenden scherven in het fabrieksgebouw van Tichelaar konden bekijken, daarmee de collectieve kennis en belangstelling stimulerend.

 

De twee door Pieter Jan Tichelaar geschreven delen over, hoe kan het ook anders, Tichelaar Makkum 1700-1876 en 1868-1963 leidden zelfs tot een promotie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen waar hij op 28 april 2004 de graad van doctor behaalde. Toen hij bij de verdediging van zijn proefschrift de vraag kreeg hoe het toch kon dat zijn doopsgezinde voorouders ook vaatwerk voor de katholieke eredienst hadden gemaakt, maakte hij zich breed achter het spreek gestoelte en zei uit de grond van zijn hart: ‘Daar heb ik nou nog nooit over nagedacht’. De driehonderd aanwezigen barsten in lachen uit. Het was Tichelaar ten voeten uit.

 

De laatste jaren namen zijn geestelijke vermogens af en hij was zich daarvan zeer bewust. Op de vraag hoe het ging, antwoordde hij met een glimlach op zijn gezicht heel passend: ‘Ik ben net een oude boom in de herfst, elke keer valt er een blaadje af’.

 

Toen ik ruim een maand voor zijn overlijden bij hem op bezoek was liet hij mij uit met de woorden: ‘je krijgt wel bericht’. Dat bericht kwam nadat hij in familiekring was gecremeerd.

Mét hem is een fenomeen in Friesland en daarbuiten gestorven en heeft keramisch Nederland een grootheid verloren.

 

Hugo ter Avest,

bestuurslid Stichting Fries Aardewerk en directeur Gemeentemuseum het Hannemahuis in Harlingen

 

Foto: LC/Catrinus van der Veen

© Vormen uit vuur