Pauline Wiertz Delfts Blauwe gouden pindacollier, keramiek.jpg

Pauline Wiertz (1955-2019), herinnerd

 

Trots was ze op haar Delfts blauw met gouden doppinda-collier. Koningin Máxima had het sieraad gekocht om het te dragen als ze over microkredieten praat. Pauline Wiertz’ mild humoristische symboliek was begrepen.

 

Als kunstenaar speelde Wiertz graag met ‘goede’ of ‘slechte’ smaak. In 1995 was ze ‘klaar met het functionalisme’ waarvoor Jan van der Vaart haar volgens Bauhaus-traditie aan de Rietveld Academie had opgeleid. Ze ging gieten met gipsmallen – wat zij eerder juist verafschuwde – en gebruikte plaatjestransfers om de vormen te versieren. Alledaagse vormen, afgegoten van kippenpoten, krabbenscharen, eieren, venkels, kalebassen, artisjokken, bamboescheuten, aardappelen, ja zelfs koi-karpers.

 

Hiermee bouwde ze licht-surrealistische miniatuur-installaties, vaak getoond in Aziatische kastjes, getimmerd door haar man Ron Zijlstra. Door werkverblijven in Japan en China hield Wiertz van gedecoreerd Oosters porselein. Vanuit hun tweede huisje in de Franse porseleinstad Limoges ontdekte zij op bric-à-brac-markten de ‘Rocambolesque’, een overrijp soort barok. Het inspireerde haar tot ‘stapelingen-des-overvloeds’ met een technische perfectie die zich moeiteloos kan meten met klassieke rococo van oude Europese koningshuizen.

Haar atelier aan het WG-plein in Amsterdam richtten Wiertz en Zijlstra als Wunderkammer in. Hier ontving ze verzamelaars en gaf beginnende keramisten les. Gastvrij, gul, geestig, gedreven.

 

Verleden jaar maart vierde Pauline Wiertz met een expositie op het WG-terrein haar werkzame leven. Symboliek was iets om mee te spelen in plaats van er zwaarwichtige cultuurtheorieën aan te verbinden. Net zo vond Wiertz haar ziekte geen gespreksonderwerp. Dus hing ze een wand vol met vrolijk gekleurde kreeftjes.

 

Chris Reinewald

© Vormen uit vuur